§ 1
Een melodie is een voortdurende afwisseling en vermenging van hoge en lage en van lange en korte tonen, die door noten worden uitgedrukt en die binnen een bepaalde tijd gespeeld moeten worden. Daarom moeten er ook regels zijn die de violist leren hoe hij de strijkstok moet gebruiken. Door een regelmatige streek worden de lange en korte noten met gemak en op een geschikte manier gespeeld.
§ 2
Als er in een "gelyke Tydmaat"6, zoals de twee- en de vierkwartsmaat, een even aantal noten staat, is het niet moeilijk. De eerste noot is opstreek, de tweede afstreek. En zo wisselen op- en afstreek elkaar zonder uitzondering af. Zie voorbeeld 1:
Voorbeeld 1
§ 3
Dit is ook meteen de eerste regel en wel de hoofdregel: wanneer de eerste kwart van een maat zonder rust begint, of het nu een twee- of driedelige maatsoort is, moet de violist proberen de eerste noot van iedere maat afstreek te spelen. Ook wanneer dat betekent dat de afstreek twee keer achter elkaar voorkomt. Voorbeeld 2 maakt dit duidelijk:
Voorbeeld 2
§ 4
Alleen een snel tempo zou op deze regel een uitzondering kunnen vormen. Maar hoe je de streek zó inricht, dat je op elke eerste tel van de maat afstreek uitkomt, zal in de rest van de regels behandeld worden. Dat is noodzakelijk, omdat in een vierkwartsmaat elke derde tel óók afstreek gespeeld moet worden, zoals we in het eerste voorbeeld al gezien hebben. Hieronder volgt nog een voorbeeld:
Voorbeeld 3
§ 5
Na een achtste, zestiende of tweeëndertigste rust moet, als de rust het begin is van een tel, de opstreek gebruikt worden.
Voorbeeld 4
§ 6
Maar stelt de achtste rust een hele tel voor, dan wordt de daarop volgende noot afstreek gespeeld. Dit komt voor in 3/8, 6/8 en 12/4 maatsoorten. Bijvoorbeeld:
Voorbeeld 5
§ 7
In alla breve-maatsoorten stelt de kwartrust een halve tel voor. Wanneer de tel begint met een kwartrust, wordt voor de noot erna de opstreek gebruikt. Zie voorbeeld 6.
Voorbeeld 6
§ 8
De tweede en vierde tel (de zwakke maatdelen van een vierkwartsmaat) worden meestal opstreek gespeeld, vooral als de eerste of derde tel (de zware maatdelen) een kwartrust is.
Voorbeeld 7
§ 9
Elke tel die uit twee of vier gelijke noten bestaat, wordt met de afstreek begonnen, ongeacht of het een twee- of driedelige maatsoort is.
Voorbeeld 8
§ 10
Ook hier kan een snel tempo weer tot een uitzondering leiden. Is het tempo hoog, dan kan de violist de twee E’s uit het voorbeeld in tweekwartsmaat van de vorige paragraaf beter in één opstreek spelen, maar wel zó, dat door het optillen van de stok de twee noten los van elkaar klinken. Zo is het in een snel tempo ook beter om de zestiendenloopjes in de tweede en derde maat per vier te binden onder één opstreek. Dat ziet er dan zo uit7:
Voorbeeld 9
§ 11
Staan op de tweede en vierde tel twee noten, waarvan er één gepuncteerd is, dan speel je die allebei opstreek. Maar wel zó, dat wanneer de punt bij de eerste van de twee staat, de stok bij de punt wordt opgetild en dat de eerste noot duidelijk los klinkt van de laatste, die zeer laat "gegrepen" wordt8. Een voorbeeld:
Voorbeeld 10
§ 12
Is daarentegen de laatste noot gepuncteerd, dan worden ze beiden door een snelle opstreek samengetrokken. Zie onder9.
Voorbeeld 11
§ 13
Wanneer er vier noten in een tel zitten, en de eerste en de derde gepuncteerd zijn, wordt elke noot met haar eigen streek, maar los gearticuleerd gespeeld. Hierbij speel je de tweeëndertigste noot heel laat, je plakt hem opstreek vlak voor de volgende noot (de gepuncteerde zestiende), die je afstreek speelt. Zie voorbeeld 12.
Voorbeeld 12
§ 14
Maar valt de opstreek toevallig op de eerste van zo’n groepje van vier noten, dan worden de eerste twee onder één opstreek genomen (maar wel weer van elkaar gescheiden gearticuleerd door de stok op te tillen) om daardoor de streek weer goed te krijgen10. Een voorbeeld:
Voorbeeld 13
§ 15
Staat er in één tel een groepje van vier noten, waarvan de tweede en de vierde gepuncteerd zijn, dan worden ze twee aan twee gebonden. Men moet echter de gepuncteerde noot noch te snel "afhakken", noch met de punt van de stok benadrukken, maar zachtjes uitspelen11. En dat geldt ook voor voorbeeld 11. Bijvoorbeeld:
Voorbeeld 14
§ 16
De laatste noot van elke maat, zelfs van elke tel, wordt gewoonlijk opstreek gespeeld.
Voorbeeld 15
Dit geldt ook als er een opmaat is, die met een opstreek begint12.
Voorbeeld 16
Wat een opstreek nu eigenlijk is, staat in §24 van de derde afdeling van het eerste hoofdstuk13.
§ 17
Wanneer een tel uit drie ongelijke noten bestaat, waarvan de één een langere notenwaarde heeft en de andere twee een kortere, worden de twee kortere noten in één streek samengenomen. Maar is één van de twee snellere noten gepuncteerd, dan worden ze wel in één streek gespeeld, maar afzonderlijk van elkaar gearticuleerd.
Voorbeeld 17
Zulke figuren worden echter ook vaak, als uitdrukking van een bijzondere muzikale smaak, op een andere manier gespeeld, die in de tweede afdeling van hoofdstuk zeven aan bod zal komen. Er zijn zelfs gevallen waarin men ze noodzakelijkerwijs anders móet voordragen, nl. om de streken weer in orde te krijgen.
§ 18
Wanneer bij drie ongelijke noten de twee snellere of kortere vooraan staan en als na de daarop volgende langere noot onmiddellijk een punt volgt, moet men beide snellere noten met een eigen streek spelen:
Voorbeeld 18
§ 19
Onthoud daarom de volgende algemene regel: wanneer bij een lange en twee korte noten de eerste van de twee korte met een afstreek wordt gespeeld, wordt elke volgende noot van dezelfde waarde met een eigen streek uitgevoerd.
Voorbeeld 19
Maar heeft de eerste van de twee snelle noten een opstreek, dan blijft het bij de regel van §17.
Voorbeeld 20
Hier is van beide een voorbeeld. Maar ik geef hier alleen voorbeelden van de figuren waarbij de lange noot voor de twee kortere staat. En dit komt het meest voor in driedelige maatsoorten.
§ 20
De noot die in een vierkwartsmaat onmiddellijk volgt op een halve noot, wordt afgestreken. Bijvoorbeeld:
Voorbeeld 21
§ 21
Wanneer er drie noten zijn, waarvan de middelste een syncope vormt (wat al in de derde afdeling van het eerste hoofdstuk is behandeld), dan moet de speler goed opletten of er meer van dergelijke figuren meteen na elkaar komen. Zijn er meerdere, dan trek je je niets aan van eerdere regels en laat je (gedurende de figuren) de op- en afstreek elkaar zonder uitzondering afwisselen. Zie voorbeeld 22.
Voorbeeld 22
Men moet hier echter bij opmerken, dat de middelste noot in gedachten wel moet worden verdeeld, maar niet in de uitvoering. De middelste en langste noot moet aan het begin wel iets sterker aangezet worden, maar mag daarna geen nadruk of accent krijgen in het midden (dus op de volgende tel). De noot moet dus niet in het midden waarneembaar worden "gescheiden" of opgedeeld door een accent, maar naar het einde van de noot toe zachtjes worden uitgespeeld14.
§ 22
Het is een heel ander verhaal, als de componist de streek door een boog aantoont. Bijvoorbeeld:
Voorbeeld 23
Want hier verbindt hij de tweede en derde noot met elkaar. Ze worden dus samen in één opstreek gespeeld. Ook in zulke gevallen moet men de middelste noot niet door een accent als tweeledig laten horen, en bovendien moet de derde noot heel zachtjes aan de tweede verbonden worden, zonder die derde noot speciaal aan te zetten.
§ 23
Als er maar één zo’n figuur voorkomt, wordt die altijd zo gespeeld als in §22 wordt aangegeven. Want zo houd je de afstreek, volgens de hoofdregel, aan het begin van de maat en daardoor blijft de streek in orde. Een voorbeeld.
Voorbeeld 24
Vergeet niet de middelste noot met de opstreek iets sterker aan te zetten en de derde noot door een diminuerend piano daar zachtjes achteraan te spelen.
§ 24
Wanneer de tweede en derde noot niet op één snaar gegrepen kunnen worden, moet men ze wel in één opstreek nemen. De strijkstok wordt dan wel na de tweede noot een klein beetje opgetild. Zie onderstaand voorbeeld.
Voorbeeld 25
§ 25
Vaak is in plaats van de eerste noot een rust aangebracht. Dan kan je de tweede en de derde in één streek samennemen of ze allebei los spelen. Als je ze samen wil nemen, dan moet dat met een opstreek. Dan kom je meteen ook weer afstreek uit op de eerste tel van de volgende maat.
Voorbeeld 26
Maar wil je ze los spelen en alle noten een eigen streek geven, dan begin je afstreek. Zie voorbeeld 27.
Voorbeeld 27
§ 26
Wanneer er voor en na de noot die men over de tel verdelen moet, twee korte noten staan, dan worden óf de eerste twee óf de laatste twee samen onder één streek ondergebracht. Een voorbeeld:
Voorbeeld 28
Voorbeeld 29
§ 27
Er zijn vaak drie, vier, vijf of door een verbindingsboog zelfs hele reeksen van zulke noten die over de maat verdeeld moeten worden. Zulke noten worden allemaal afwisselend met op- en afstreek gespeeld, zonder te letten op voorgaande regels. Zie de drie voorbeelden hieronder15.
Voorbeeld 30
§ 28
Beginners hebben vooral moeite met driedelige maatsoorten. Want als de tijdmaat ongelijk is, moet de hoofdregel uit §3 daaronder lijden en zijn er bijzondere regels nodig om de streek weer goed, dat wil zeggen in de juist volgorde van op- en afstreek, te krijgen. Een nieuwe hoofdregel is dan: wanneer er in de ongelijke tijdmaat slechts één noot per tel staat, moeten van de drie noten er twee onder één streek genomen worden, vooral als er in de volgende maat snellere noten of noten van verschillende lengte staan.
Voorbeeld 31
§ 29
Nu is het de vraag of men de eerste of de laatste twee noten samen moet nemen. En er is nog een vraag, namelijk of die twee dan gebonden moeten worden of dat ze los gearticuleerd onder één streek gespeeld moeten worden. Beide komt op het zingbare van het stuk aan en hangt af van de goede smaak en van de nauwkeurige beoordeling van de speler, als hij de aanwijzingen van de componist vergeten heeft op te merken of niet begrepen heeft. Toch kan het volgende enigszins tot regel dienen: noten die dicht bij elkaar staan, speelt men over het algemeen aan elkaar; en noten die verder van elkaar liggen, speelt men meestal los onder één streek. Hierbij moet de speler op een aangename afwisseling toezien.
Voorbeeld 32
§ 30
Komt het toevallig voor in een maat met op elke tel één noot, dat alle drie de noten met hun eigen streek gespeeld worden, dan moet de speler er meteen op bedacht zijn dat de streek in de volgende maat weer in orde wordt gebracht, hoeveel noten die volgende maat ook heeft. In onderstaand voorbeeld betekent dit dat de violist in de tweede maat een opstreek moet gebruiken voor de eerste twee zestienden en dat daarna alle noten ieder hun eigen streek krijgen.
Voorbeeld 33
§ 31
Volgt er na een driedelige maat met op iedere tel één noot die elk zijn eigen streek had, een maat met op de eerste tel twee noten en verder op elke tel weer één noot, dan worden die twee noten op de eerste tel samen in één opstreek gespeeld.
Voorbeeld 34
§ 32
Men moet de op- en afstreek onveranderd afwisselen en dus steeds heen en weer strijken, als er in een driedelige maatsoort meerdere maten achter elkaar zijn met één noot per tel.
Voorbeeld 35
Bij de eerste tel van de tweede maat krijg je wel altijd een opstreek, maar in de derde maat is de streek weer zoals het hoort. De eerste noot van elke maat moet onderscheiden worden door een sterk accent met de strijkstok; en in de 6/8 maat geldt dat ook voor de vierde tel(eenheid), de vierde achtste noot dus, in de 12/8 geef je een accent op de eerste, de vierde, de zevende en de tiende achtste. Bijvoorbeeld16:
Voorbeeld 36
§ 33
Wanneer in de 3/8, 6/8 of 12/8 maat twee tellen gevuld zijn met vier zestienden waarop een achtste volgt, dan worden de vier zestienden afstreek gespeeld. Dit geldt vooral bij snelle tempi. Een voorbeeld:
Voorbeeld 37
§ 34
Bij snelle tempi, met name in de 12/8 maat, kan men zulke figuren ook in één streek nemen:
Voorbeeld 38
§ 35
Dit figuur komt ook vaak omgekeerd voor. De achtste staat dan voor de vier zestienden. In zo’n geval neem je de eerste twee zestienden samen in één opstreek, maar de laatste twee krijgen elk een eigen streek. Zie voorbeeld 39:
Voorbeeld 39
§ 36
Is het tempo echter erg hoog, dan worden alle vier zestienden in één opstreek gespeeld.
Voorbeeld 40
§ 37
Nu kan de leerling de tabel uit het eerste hoofdstuk (derde afdeling) 17 volledig leren spelen, om maatvast te worden. Heeft hij enige twijfel over de streek, dan kan hij naar deze regels kijken. Indien hij er toch niet uitkomt omdat er verschillende notenwaarden in een maat staan, dan kan hij in het begin, om te oefenen, van twee noten één maken. Als er in een muziekstuk bijvoorbeeld de volgende noten voorkomen,
Voorbeeld 41
kan hij in plaats van de twee zestienden (in de eerste tel een E en in de tweede een D) van allebei die noten een achtste maken. Dan wordt het:
Voorbeeld 42
De speler moet vooral letten op de gelijkheid en de duur van de noten. Om die goed te krijgen, moet hij of zij bij de herhaling de tweede noot zó spelen, dat die niet méér tijd in beslag neemt dan voor de achtste nodig was. De leerling moet op dezelfde manier te werk gaan met de eerste en de derde tel van regel elf uit de tabel en de tweede en vierde tel van regel twaalf. Wil een beginner voor de rest mijn raad volgen, dan speelt hij de tabel niet alleen regel voor regel, maar speelt hij ook alle eerste maten achter elkaar, daarna alle tweede maten door alle regels heen, vervolgens de derde etcetera om door de voortdurende verandering van de figuren goed maatvast te worden.
§ 38
Omdat de leerling meteen moet kunnen oefenen met de voorgeschreven strijkregels, heb ik wat voorbeelden bijgevoegd met verschillende maatwisselingen18. Het begint met een stukje waarin gedurende vele maten lang dezelfde noten doorlopen. Juist deze noten vormen een struikelblok voor veel waanwijze violisten. Deze mensen, door eigenliefde verblind, beelden zich sterk in dat ze goed, gelijkmatig en zeker door de stof komen. Er zijn heel wat violisten, die anders niet onaardig spelen, die bij het spelen van zulke lange reeksen van dezelfde noten zó op hol slaan, dat zij, wanneer het enige maten duurt, ten minste een tel voor lopen. Om zich tegen zulke gebreken te wapenen, moet men zulke stukken in het begin langzaam spelen, met lang aangehouden streken die voortdurend op de viool blijven; daarbij moet men niet het tempo voortstuwen, maar terughouden. En in het bijzonder moet men de twee laatste van vier gelijke noten niet verkorten. Gaat het op deze manier goed, probeer dan een sneller tempo. Je speelt de noten dan met kortere streken. En van tijd tot tijd oefen je een sneller tempo, maar wel zó, dat je altijd zo eindigt als je begonnen bent. Hier is het voorbeeld:
Voorbeeld 43
§ 39
In dit en in alle volgende voorbeelden is een tweede vioolpartij als onderstem toegevoegd, zodat leraar en leerling kunnen samenspelen, terwijl ze de partijen om de beurt afwisselen. Om alles goed duidelijk te maken, zijn de strijkregels met cijfers aangegeven, zoals in de tabel en in de onderstem van het vorige voorbeeld te zien is. Ze duiden de paragrafen aan waarin de strijkregels nagezocht kunnen worden. Maar als een regel eenmaal genoemd is, wordt die in hetzelfde voorbeeld niet nog een keer genoemd19. Ik moet alleen nog onder de aandacht brengen, dat de leraar de gegeven voorbeelden vooral niet aan zijn leerling moet voorspelen, want hierdoor zou hij het op het gehoor kunnen naspelen, in plaats van op grond van de regels. Laat de leraar hem liever elke maat van het stuk in tellen verdelen, daarna de maat slaan, en zeg hem dat hij door nauwkeurige beschouwing zich het stuk moet voorstellen, tegelijkertijd als hij de maat slaat. Daarna mag hij beginnen te spelen. De leraar slaat dan de maat en alleen als het echt moet speelt hij mee; maar de onderstem speelt hij pas dán, als de leerling de bovenstem al goed en zuiver kan spelen.
Hier zijn de oefenstukken. Hoe smakelozer men ze vindt, hoe meer plezier me dat doet, want het was ook mijn bedoeling om ze zo te maken.
Voorbeeld 44
Voorbeeld 45
Voorbeeld 46
Voorbeeld 47
Voorbeeld 48
Voorbeeld 4920
Voorbeeld 50
Voorbeeld 51
Voorbeeld 52
Men kan maat drie, vier en vijf21 ook spelen volgens de regel uit §33. Bijvoorbeeld zo:
Voorbeeld 52a
Voorbeeld 53
Voorbeeld 54
Voorbeeld 55